Staat van de wereld 11

Afgelopen week heb ik me verdiept in het onderzoek ‘platformmaatschappij’ waarin drie onderzoekers waaronder José van Dijck onderzoek doen naar publieke waarden binnen de platformsamenleving. Dit onderzoek sluit erg goed aan op mijn onderzoek omdat het mechanisme achter onder andere het platform van Google wordt beschreven. Mijn markeringen kun je hier lezen. Daarnaast heb ik een gesprek gehad met een student van de PABO, zoals eerder aangegeven wil ik graag hoger op komen in organisaties maar ik merkte dat het fijn werkt wanneer ik ‘lager’ in de organisatie contactgegevens krijg van hogerop. Dit bleek ook uit dit gesprek ik heb een mail gestuurd naar de koepelorganisatie van basisscholen en het ICT team van de PABO.

Planning

  • Achter aanvragen interviews koepel en PABO team aangaan
  • Boek ‘Je hebt wel iets te verbergen’ lezen. (Ik wil meer kennis over de gevolgen van privacy inbreuk om goed te kunnen antwoorden op de reactie van docenten ‘ik doe toch niks crimineels’)
  • Eerder gemaakte markeringen overzichtelijk maken.
  • Ontwerp concept verder uitwerken, ik heb een idee om het mechanisme achter Google in het onderwijs visueel te maken. Ik merk dat het super onduidelijk is hoe het systeem in elkaar zit en docenten hierdoor niet op de hoogte zijn van de problematiek. Daarom zie ik een kans om als ontwerper dit systeem visueel te maken, hoe wordt vervolgd.

Onderzoek

Markeringen uit Platformmaatschappij

Platformmaatschappij:

De architectuur en economische modellen van een platform kunnen sturend zijn in het gebruik ervan.

Platformen gaan op een nieuwe manier functioneren als marktplaatsen voor het desbetreffende domein: ze faciliteren burgers, consumenten, bedrijven, organisaties en overheden om met elkaar informatie of ken­­­nis te produceren en uit te wisselen.

In algemene zin kan een onlineplatform omschreven worden als een technologische, economische en sociaal-culturele infrastructuur voor het faciliteren en organiseren van online sociaal en economisch verkeer tussen gebruikers en aanbieders met data als brandstof. Vaak zijn verschillende platformen met elkaar verbonden. Zo wordt op het ene platform waarop een gebruiker data genereert, weer gebruikt om advertenties op een ander platform af te stellen.

Participatiemaatschappij: Burgers hebben minder instituties en overheidsinstanties nodig om maatschappelijk te manifesteren of zich te organiseren.

Deeleconomie: Individuen als ondernemers of burgers die uitwisseling van goederen en diensten willen optimaliseren.

Genoemde mogelijke negatieve gevolgen van platformisering zijn vaak privacy en veiligheid.

Ook zijn er zorgen over de mate waarin digitale platformen zich houden aan de bestaande wet- en regelgeving. Aan deze discussies willen wij een thema toevoegen: Publieke belangen. Dit zijn zaken die als dermate groot belang voor de samenleving worden geacht dat de organisatie ervan collectieve zorg verdient.

Platformen zijn sturend in de inhoudelijke invulling van publieke waarden: als marktmeesters kunnen zij de voorwaarden bepalen waaronder interactie van gebruikers tot stand komt, en daarmee geven ze richting aan de wijze waarop bijvoorbeeld buurtactivieiten, onderwijs en journalistiek zijn georganiseerd.

Platformen zijn de weerslag van een specifieke visie op de inrichting van de samenleving, en daarmee stuurt de technologisch-economische en sociaal-culturele dynamiek van platformen de governance van diezelfde samenleving.

Verschil online platformen en willekeurige website:

-Platformen verzamelen automatisch grote hoeveelheden data over de gebruikers.

-Door Application Programming Interfaces (API) bieden platformen toegang van data aan derde. De API geeft externe websites en applicaties gecontroleerd toegang tot gebruikersdata.

-Gebruikersdata wordt op platformen verwerkt met behulp van algoritmes. Vaak is niet bekend hoe deze algoritme precies werken.

-Platvormen vormen economische configuraties die gericht diensten en reclames aan specifieke gebruikers koppelen.

Geen enkel onlineplatform opereert in een vacuüm maar positioneert zich in relatie tot andere platformen, websites en applicaties. Zoals het zich nu ontwikkelt, wordt het connectieve ecosysteem gedomineerd door een klein aantal grote Amerikaanse platformen die een (bijna) monopolypositie hebben veroverd.

Vergeleken met het eerste decennium in hun bestaan ontwikkelen de grote GAFA-platformen zich van aanbieders van onlineservices naar databedrijven; ze positioneren zich steeds nadrukkelijker als knooppunten en regelaars van het sociale en dataverkeer in dit ecosysteem.

Kleine platformen, websites en mobiele applicaties lijken vaak onafhankelijke spelers, maar blijken bij nader inzien op allerlei manieren ingekapseld in het ecosysteem waar de grote spelers de spelregels bepalen. Bovendien worden nieuwe platformen die snel groeien, na lancering vaak opgekocht door een van de grote hightechspelers, of zij verbinden zich aan hen via financieringsconstructies.

Omdat grote platformen opereren op basis van Amerikaanse normen, waarden en wetten, zien we vooral buiten de Verenigde Staten worstelingen ontstaan rondom de implementatie van die platformen in allerlei sectoren.

Je zou kunnen stellen dat er in het ecosysteem van platformen nauwelijks echte publieke of non-profitruimte te vinden is. De grote platformen vormen als het ware het wegennet waarover alle online sociale verkeer moet rijden.

Lang voor de opkomst van onlineplatformen is er al een brede politiek-ideologische verschuiving opgetreden in de manier waarop er tegen de verschillende mogelijkheden voor maatschappelijke ordening wordt aangekeken. De markt zou een efficiëntere manier zijn om allerlei publieke zaken te organiseren. Het laatste decennium vindt er weer een kentering plaats. De ‘vermarkting heeft lang niet op alle fronten de beoogde efficiencywinst opgeleverd.

Informatisering van de samenleving. Allerlei overheidsdiensten werden in rap tempo gedigitaliseerd met als doel om dienstverlening efficiënter t maken, veiligheid te vergroten en toegankelijkheid te optimaliseren. Deze informatisering golf ging gepaard met de erosie van schotten tussen overheidsorganisaties en de private sector.

De snelle penetratie van onlinediensten in Nederland heeft grote invloed op de behartiging van publieke belangen via publieke instituties.

Praktisch alle openbare diensten hebben te maken met een gedeeltelijke verplaatsing van het sociale en dienstenverkeer naar een commerciële onlineomgeving – een omgeving waar de normen, waarden en wetten van de veelal Amerikaanse platformeigenaren inschreven zijn. 

Onlineplatformen veranderen de relatie tussen overheidsinstitutie en marktpartijen omdat niet altijd duidelijk is wie aan wei dienstbaar is. (De bibliotheek geeft de inhoud van haar hele boekenbestand aan Google weg in ruil voor het scannen en digitaal toegankelijk maken van de boeken.) De vraag rijst onder welke voorwaarden deze uitruil van diensten plaatsvindt: zijn er voldoende garanties dat het publieke gedachtengoed diensten of gemeenschappelijke goederen ook in de toekomst voor iedereen toegankelijk blijven?

Bedrijven als Uber en Airbnb zien zichzelf als voorvechters van innovatie disruptie, waarbij dat laatste slaat op het ontregelen dan wel dereguleren van gevestigde sectoren. Met de komst van onlineplatformen zou de samenleving veel transparanter, opener en directer georganiseerd kunnen worden, zo luidt de belofte. Dit geld niet alleen voor marktsectoren maar ook voor publieke sectoren als het onderwijs.

De platformsamenleving is juist een samenleving waarin maatschappelijke ordening ook steeds ondoorzichtiger wordt, omdat de werking ervan verstopt raakt in technologische en economische processen die zich voor een groot deel onttrekken aan democratische controle.

Platformmechanismen

Een platform is niet zomaar een instrument om onlinecontent te maken of te vinden, informatie te publiceren of te delen, goederen aan te bieden of te verkopen. Het gaat niet alleen om het verkeer tussen mensen, maar om de complexe dynamiek die zich afspeelt tussen gebruikers, gebruik, technologieën en verdienmodellen.

Drie platformmechanismen:

-Dataficatie: het traceren, kwantificeren, interpreteren en voorspellen van sociale interactie door platformen alsook het dagelijkse gebruik van platformdata door gebruikers.

Het omzetten van menselijke handelingen naar data maar ook de wijze waarop mensen handelingen ontwikkelen op basis van data.

Platformdata verschaffen zowel gebruikers als maatschappelijke instituties de ‘grondstof’ om publieke gebeurtenissen en sentimenten continu te volgen en beïnvloeden.

De opkomst van onlineplatformen brengt een enorme intensivering in het verzamelen en analyseren van data met zich mee. De architectuur met name de grote platformen is volledig ingericht op het continu verzamelen en analyseren van alle gebruikersdata op elk moment.

Achter schijnbaar informele en onbeduidende vormen van sociale interactie gaat een complexe technologische infrastructuur schuil, waarin data continu worden geaggregeerd en geanalyseerd om gebruikers zo gericht mogelijk aan elkaar en aan reclame en services te verbinden. Aan de basis van het vermogen van burgers om publieke activiteiten en sentimenten te volgen ligt dus het systematisch en geautomatiseerd monitoren en analyseren van iedere gebruikersactiviteit.

Platformen meten niet enkel wat gebruikers doen, denken en voelen maar geven hier tegelijkertijd vorm aan. Net als emoticons zijn het vormgevormde activiteiten. De knoppen sturen hoe gebruikers zich kunnen uiten en hoe zij kunnen delen.

Drie vormen van data-analyse:

-Patronen destilleren uit grote hoeveelheden data – pattern analytics

-Voorspellende waarde voor de toekomst – predictive analytics

-Realtimekarakter van datastromen – realtime analytics

-Commodificatie: De wijze waarop platformen objecten, handelingen en ideeën vermarkten, oftewel omzetten in verhandelbare producten met economische waarde

Commodificatie betekent letterlijk tot economisch goed maken. Onlineplatformen maken het mogelijk om informele ruimte, goederen of interacties te vermarkten door ze in data om te zetten.

Net als massamedia verkopen sociale platformen consumenten aandacht aan adverteerders. Echter, zij doen dit op een veel fijnmaziger manier.

Gebruikers worden constant geconfronteerd met data die vertellen hoeveel likes, retweets, shares, views, volgers en vrienden hun activiteiten hebben gegenereerd. Deze data bevestigen de status van burgers als actieve deelnemers aan het maatschappelijke verkeer.

Bij onlineonderwijsplatformen zoals Coursera en edX speelt de commodificatie van videolezingen van sterwetenschappers een rol in het verdienmodel van deze sites.

Ook al kiezen sommige platformen bewust een non-profitverdienmodel, dat betekent niet dat het mechanische van commodificatie geen vat heeft op dat platform. Anders gezegd: commodificatie als mechanisme zit diep ingebed in het platformecosysteem waardoor het moeilijk is je eraan te onttrekken. (Voorbeeld: ‘most downloaded’ ‘most cited’)

Het wordt daardoor steeds lastiger om nog een helder onderscheid te maken tussen de publieke, commerciële en private ruimte.

In deze nieuwe vorm van datacommodificatie kopen adverteerders in feite toegang tot bepaalde groepen gebruikers op bepaalde momenten en locaties.

Adverteren wordt daarmee losgekoppeld van specifieke mediaproducten, zoals een primetimetelevisieprogramma of de voorpagina van de krant. 

Platformen die zich maximaal richten op het verzamelen en uitbaten van gebruikersdata, bieden hun mediaproduten en –diensten meestal gratis aan; door een vinkje te zetten bij gebruikersvoorwaarden geven gebruikers automatisch toestemming voor het delen van data met derden.

-Selectie: Gebruikers die met behulp van platformen bepalen welke onderwerpen, objecten en actoren relevant zijn in informatie in communicatie.

Door de selectie van relevante onderwerpen, objecten en actoren te structureren kunnen platformen communicatie ook inhoudelijk sturen. In nieuwsprodcutie bepalen journalisten op basis van professionele normen wat wel en wat niet nieuws is. In de productie van kennis en hoger onderwijs vervullen wetenschappers en universiteiten een leidende rol. Onlineplatformen maken ook gebruik van expertselectie, maar stellen bovenal gebruikers centraal.

Burgers selecteren:

Meer dan elk ander medium geven onlineplatformen burgers controle over wat zij te zien krijgen. Zoekmachines zijn het meest evidente voorbeeld van de eerste selectiemethode. Bij social media volgen burgers mensen. In dit opzicht komt er een volledig gepersonaliseerde stroom van informatie en communicatie. Verschillende mediawetenschappers hebben gewaarschuwd voor de zogenaamde filter bubble.

De gepersonaliseerde informatiestroom ontstaat door de wisselwerking tussen dataficatie en commodificatie.

Personalisering en viraliteit zijn belangrijke effecten van mechanismen van selectie die leiden tot veranderingen in de dynamiek van openbare communicatie

Nu onlinecommunicatie in toenemende mate gestuurd wordt door een wisselwerking tussen platformen en gebruikers, komt sterk de vraag op wie verantwoordelijk is voor de inhoud van deze communicatie. In eerste instantie presenteerden platformen zich als neutrale kanalen die enkel communicatie en het delen van diensten faciliteren.

Algoritmische selectie:

Onlinesites en apps sturen gebruikers doormiddel van een gebruikersinterface. Technologie structureert in hoge maten hoe gebruikers zich met elkaar kunnen verbinden en hoe zij materiaal selecteren en filteren.

Ten tweede geven sociale platformen vorm aan selectie door de manier waarop ze gebruikerssignalen algoritmisch vertalen in ‘trending, ‘top’, ‘relevant’ materiaal.

Platformbedrijven beschouwen hun algoritmes als bedrijfsgeheimen, waardoor het lastig te achterhalen is hoe zij excat werken. Dit wordt nog verder bemoeilijkt doordat ze constant aangepast worden.

Aangezien platformen automatisch materiaal en diensten promoten die veel activiteit genereren, wordt de populariteit van topgebruikers alleen maar verder versterkt. Dit wordt ook wel rich get richer of het Matteüseffect genoemd.

De publieke waarden van hoger onderwijs in de platformsamenleving

Volgens sommigen belichamen de onlineformats die via de platformen worden aangeboden, de toekomst van het onderwijs, waarin kennis snel en goedkoop toegankelijk gemaakt kan worden voor een groot publiek. De onderwijsplatformen presenteren zichzelf als een positieve nieuwe ontwikkeling voor het algemene nut: de beste colleges uit de hele wereld, gratis beschikbar voor iedereen met internettoegang. 

De sturende mechanismen van onlineplatformen spelen een belangrijke rol in de manier waarop het onderwijs wordt georganiseerd, zowel didactisch-pedagogisch als institutioneel.

We hebben de afgelopen twee decennia gezien hoe hightechbedrijven met platformen steeds verder doordringen in de poriën van het hoger onderwijs. Microsoft distribueert het populaire Blackboard-softwarepakket dat steeds meer een platformfunctie krijgt voor docenten en studenten. GoogleScholar, GoogleBooks en LibraryLink behoren inmiddels tot de standaarduitrusting van wetenschappelijke onderzoekers en universiteitsbibliotheken.

De opkomst van de huidige MOOC’s (Massive Open Online Course, als Coursera, edX en Udacity) kan moeilijk los gezien worden van de algemene platformisering van de samenleving.  

Er is nog weinig empirisch onderzoek gedaan naar het effect van onlineplatformen op leerprestaties; wel is geopperd dat de ontwikkeling ervan de educatieve sector evenzeer zal raken als bijvoorbeeld de vervoerssector en de journalistiek.

MOOC’s zijn onlosmakelijk verbonden met een datagedreven en algoritmisch gestuurd online-ecosysteem waarin serviceaanbieders zoals Facebook, Google, Apple, Amazon en Microsoft een grote rol spelen.

Omdat bij veel universiteiten de financiering uit algemene middelen onder druk staat, is het zeer verleidelijk van gratis diensten gebruik te maken. Het resultaat is dat bedrijven als Google, Facebook en Microsoft zich steeds steviger positioneren als serviceaanbieders in het hoger onderwijs.

De tweede bredere ontwikkeling waarin de MOOC’s-Trend past, is die van de globalisering van het onderwijs. . . . Daarbij is het bereiken van hoge posities in allerlei internationale ranglijsten een belangrijk doel. . . . Olieplatformen bevorderen en stimuleren de mondiale ondernemingsdrang van universiteiten.

De derde ontwikkeling die nauw samenhangt met globalisering van het hoger onderwijs, is de commercialisering en privatisering ervan. Veel Amerikaanse universiteiten worden gefinancierd door middel van hoge collegegelden en private sponsoring. Vanuit die traditie is het logisch dat universiteiten hun commerciële ondernemingen internationaliseren, en dat ze via digitale platformen een nog sterkere positie proberen te verwerven op een wereldwijde onderwijsmarkt.

Investeerders uit Silicon Valley zien hoger onderwijs als een sector die door privatisering efficiënter gemaakt kan worden met behulp van platformen die overheid en overhead omzeilen.

-Dataficatie en selectie

Coursera, edX en Udacity hebben systemen ontwikkeld waarmee ze allerlei onderwijs en leeractiviteiten van cursusdeelnemers coderen in kwantitatieve data; elke muisklik kan worden geregistreerd en geanalyseerd. Met deze data kan het leerproces van cursisten nauwgezet worden gevolgd: de snelheid waarmee ze opdrachten maken, waar en met wie ze overleggen, welke fouten ze maken enz. Die data kan ingezet worden om voorspellingen te doen over het leergedrag van deelnemers. De toegevoegde waarde van MOOC’s ligt erin dat ze leermethodes kunnen automatiseren om kennis op efficiënte manier aan grote groepen deelnemers bij te kunnen brengen.

Technische dataspecialisten worden de nieuwe onderwijsmanagers.

Voorstanders van MOOC’s beargumenteren dat de inzet van kwantitatieve learning analytics het onderwijs kwalitatief beter maakt. (Gepersonaliseerd onderwijs)

Critici wijzen erop dat er in deze dataficatie ook een risico schuilt. Het is geen garantie dat de student ook echt voorgeschoteld krijgt wat hij nodig heeft. Een gevolg kan zijn dan allerlei aspecten van een onderwerp of vakgebied buiten het zicht van een student worden gehouden, omdat het systeem verondersteld dat die niet passen bij de interesses van de student.

Een mogelijk gevolg van het manageable maken van het leerproces is dat er een nieuwe vorm van arbeidsdeling ontstaat. Docenten die goed zijn in webhoorcolleges, hoeven niet betrokken te zijn bij het begeleiden van de studenten via de feedback en examens.

Een belangrijke vraag met betrekking tot dataficatie van het leerproces betreft het eigenaarschap en de toegankelijkheid van de leer- en onderzoeksdata: van wie zijn de data en voor wie zijn ze toegankelijk?

Ingebakken in de meeste paltformen zitten algrotimes die continu reputaties berekenen op basis van verzamelde data, waardoor studenten voortdurend op allerlei punten getest en vergeleken kunnen worden.

Dit geldt mutatis mutandis voor het beoordelen van docenten, van wie de prestaties en populariteit in toenemende mate online geëvalueerd worden en in ratings uitgedrukt met behulp van één tot vijf sterren.

Maar studneten zijn geen taxiklanten en docenteng een chauffeurs.

-Commodificatie

In hoger onderwijs bieden universiteiten hun studenten een packagedeal aan. Ze bieden toegang tot vakken in een samenhangend curriculum, onderwijs van docenten die ook onderzoek doen, bibliotheken, studieplekken, wifi etc. Voor dit all-inclusivepakket betalen studenten in de meeste landen collegegeld. In het geval van publiek onderwijs dragen belastingbetalers ook bij met als doel de opleiding toegankelijk te houden.

Bij onlineplatformen is hoger onderwijs niet een package maar een keuzemenu of database: ieder onderdeel van het geautomatiseerde leerproces kan apart worden gekwantificeerd en vermarkt, aangepast aan de individuele wensen van gebruikers dan wel van externe partijen.

MOOC’s kennen verschillende verdienmodellen:

-freemium-model: content wordt gratis weggegeven, maar voor specifieke premium diensten moet worden betaald. Geld verdienen ze deels door het verzamelen van data over hun gebruikers, en deze door te verkopen aan geïnteresseerde partijen als adverteerders. Extra inkomsten komen uit de betaalde diensten, die een kleine groep afneemt.

-De verkoop van data: Platformen verdienen geld door het verzamlen en verkopen van gebruikersdata die cursisten weggeven door een vinkje te plaatsen bij de gebruiksvoorwaarden. Het trekken van een groot publiek voor de cursussen is cruciaal. Op dit moment maken MOOC-platformen nog geen gebruik van de mogelijkheid om reclames in de educatieve content te plaatsen, maar dat is uiteraard wel een optie in de toekomst. MOOC’s zijn via inlogsystemen meestal verbonden met grote platformen zoals Facebook en Google – de twee grootste onlineadverteerders.

-Het verkopen van losse cursussen en certificaten: Een aantal platformen bied ook premiumdiensten aan, waaronder bewijzen van deelnae, proctored examens of certificaten. Deze laatste worden steeds verder ontwikkeld als geaccrediteerde certficiaten die op den duur wereldwijd erkend kunnen worden en daarmee veel geld waard zijn.

Het sturen van je cv wordt straks misschien wel overbodig als bedrijven toegang kunnen kopen tot de realtimedata van educatieplatformen.

Nauwe samenwerking tussen MOOC’s  en werkgevers die opzoek zijn naar talent ligt voor de hand.

We zien dan ook steeds meer samenwerkingsvormen ontstaan tussen technologiebedrijven en MOOC’s. Zo bieden Coursera, Google, Instagram en vijfhonderd startups zogenaamde capstone-projecten (soort stageopdracht) aan die studenten via het platform uitvoeren op het snijvlak van ondernemerschap en technologieontwikkeling.

Impact van MOOC’s op het publieke hoger onderwijs

Wanneer we bovenstaande mechanismen combineren, wordt duidelijk dat MOOC-onderwijsplatformen de organisatie van het hogeronderwijs een bepaalde richting op kunnsen sturen

Slim gebruik van eler- en gebruikersdata kan helpen om de conventionele curricula aan de universiteiten en hogescholen te verbeteren. Er zijn een heleboel datagedreven technieken die vruchtbaar ingezet kunnen worden om het studeren te vergemakkelijken en studenten te helpen bij het verwerken van moeilijke stof. Ook kunnen onlincurssusen een prima aanvulling vormen op traditionele curricula, met name voor studenten die in een ander tempo willen studeren of meer oefening nodig hebben. Toch moeten we niet onderschatten hoeveel invloed de in MOOC’s ingebakken platformmechanismen kunnen hebben op de publieke waarden van het hoger onderwijs als geheel.

Een belangrijk argument voor het investeren van publiek geld in commercieel onderwsijplatformen is dat getalenteerde studenten uit minder ontwikkelde regio’s en lagere socio-economische klassen beter toegang zouden krijgen tot hoger onderwijs. In een recent onderzoek van Hansen en Reich werd deze aannam echter voor wat de Amerikaanse populatie betrof onderuitgehaald: cursussen die gratis online beschikbaar zijn, lijken ongelijkheid eerder te vergroten dan te verkleinen.

De mechanismen van daataficatie en commodificatie van onlineplatformen spelen vaak ongemerkt een sturende rol.

Interview

Student PABO

Op dit moment onderzoek ik de invloed van technologie-giganten (Google, Apple, Microsoft, Amzon, Facebook) in het onderwijs. Ik ben erg benieuwd welke technologieën jullie inzetten op de scholen waar jij stage hebt gelopen.

Waar heb je stagegelopen en welke technologie werd er gebruikt?

Eerst in groep 3,6 en 7. Daarna in groep 3,4,5 en de kleuterklas. Afgelopen jaar in groep 3,4.

Wat merk jij zelf van zo’n technologie, kunnen jullie nog zonder?

Digiborden worden sowieso gebruikt en Chromebooks werden in groep 3 en 4 ingevoerd toen ik kwam. In groep 6 en 7 werd er al wel meer gebruik gemaakt van Chromebooks, maar de juf zelf was daar ouder dus snapte er niet heel veel van.

Gebruikten jullie een speciaal programma voor het digibord?

Ja Prowise.

Zouden jullie nog zonder technologie kunnen?

Ja het kan wel. Ik heb weleens gehad dat het digibord bijvoorbeeld niet werkte je merkt dan wel dat je creatief moet zijn en dat het anders loopt. Maar het is niet dat het zonder digibord niet meer zou kunnen.

Waaraan moet een technologie voldoen voordat het ingevoerd kan worden?

Het moet niet te ingewikkeld zijn. Het beste vind ik wanneer een technologie door heel de school gebruikt wordt. Wij snappen het als jonge mensen wel maar ouderen docenten moeten het ook begrijpen en hierin begeleiding krijgen als het nodig is.

Voor de kinderen moet het ook niet te ingewikkeld zijn met inloggen.

Krijgen jullie op de Pabo-les in technologische ontwikkelingen en de inzet hiervan in het onderwijs?

Best wel veel. Er licht veel nadruk op ICT, we krijgen niet veel les in hoe het werkt. Maar het is wel zo dat ze ons veel dingen laten zien die we in kunnen zetten in onze les.

Ik vind het wel jammer dat we in iedere opdracht die we doen op de PABO verplicht ICT moeten verwerken. Dan ga je dingen doen omdat het moet en niet omdat het handig is.

Waarom moet dat?

Ja om 21e -eeuwse vaardigheden aan kinderen te leren.

Google zit al in 70% van het basisonderwijs in Nederland. (bron: Volkskrant)  

Maken jullie op school al gebruik van Google in het onderwijssysteem naast Chromebooks?

Ze werken wel met de Drive dat is vooral in de bovenbouw.

Zie jij zelf ook schaduwkanten aan het inzetten van een technologieplatform in het onderwijs gemaakt door een groot technologiebedrijf?

Niet echt nadelen aan programma’s. Maar ik vind het wel belangrijk dat niet alles via de laptop wordt gedaan maar dat kinderen ook nog moeten schrijven bijvoorbeeld.

Waarom vind je dat zo belangrijk?

Er is onderzoek gedaan dat kinderen dingen veel beter onthouden wanneer ze het opschrijven. Ik vind het belangrijk dat dat niet vergeten wordt.

In veel artikelen lees ik ook dat er vraagtekens worden gezet rondom de privacy van de kinderen. Moeten we Google of een ander technologiebedrijf wel vertrouwen? Hoe sta jij hierin/heb je hier ooit over na gedacht?

Ik ben er niet zo bang voor dat mensen mijn persoonlijke gegevens weten of dat iemand mijn naam ergens ziet maar dat is mijn persoonlijke mening. Toch is het wel belangrijk want ik kan niet voor iemand anders dit beslissen. Ik merk soms wel dat omdat ik me er zelf niet zo druk om maak dat het voor anderen wel een ding kan zijn. Ik ben er verder ook niet zo in thuis wat die regels zijn. Het moet wel goed in de gaten blijven worden gehouden.

Wie vind je dan dat de eindverantwoordelijk zou moeten zijn binnen het privacyvraagstuk?

Ik denk eigenlijk wel de school in zijn geheel maar daar begin je dan als docent al mee. Jij bent toch degene die daar het meest mee bezig is met de klas. Je kunt de directeur wel aansprakelijk stellen maar je hebt er allemaal mee te maken dus moet je er ook allemaal mee bezig zijn.

Google is een bedrijf dat een beurswaarde van 1000 miljard dollar heeft. Vind jij het niet vreemd dat ze dan gratis software aanbieden?

Is het zo dat die programma’s echt gratis zijn?

Ja, de Chromebooks zijn erg goedkoop maar bijvoorbeeld Google Drive is gratis.

Dat is wel vreemd ja.

Kan ik in contact komen met het team dat ICT uitleg geeft op de Pabo?


Wat mij opviel in het gesprek met Lotte was de naar mijn mening terechte vraag waarom technologie altijd ingezet moet worden binnen het onderwijs. Dezelfde vraag moet denk ik gesteld worden bij de invoering van de corona app op dit moment https://www.parool.nl/columns-opinie/geloven-in-een-app-als-de-oplossing-is-niet-intelligent~b04edeed/, wat voegt het toe?
Daarnaast vond ik het erg goed dat Lotte duidelijk aangaf dat ze haar persoonlijke keuze over privacy niet aanneemt als standaard voor de hele klas.

Bronnen

https://www.aup.nl/en/book/9789462984615/de-platformsamenleving

https://www.parool.nl/columns-opinie/geloven-in-een-app-als-de-oplossing-is-niet-intelligent~b04edeed/